Leestijd: 2 minuten

Hoe het belastingstandpunt over transformeren transformeerde

Geschreven door Coen van Rooyen op 26 Januari 2016

De fiscus houdt er soms bijzondere standpunten op na. Had het kabinet in 2013 nog kraakhelder op papier gezet dat levering van een oud gebouw en de daarop volgende sloop- en aanneemwerkzaamheden als één prestatie voor de fiscus moesten worden aangemerkt? Al in 2015 ontstaan er discussies waarbij de belastingdienst een compleet tegenovergesteld standpunt inneemt. En de paar schamele grijpstuivers die dit gelegenheidsstandpunt de staatskas meer oplevert, lijken nu belangrijker dan het opruimen van al die leegstaande kantoren.

Soms proberen ontwikkelende bouwers een fiscale constructie uit, om te zorgen dat het eindproduct voor hun klanten voordeliger wordt. Juist daarom was het dan ook dat de sector, tot aan de Don Bosco uitspraak van het Europese Hof van Justitie althans, bestaande gebouwen vaak in de 6% overdrachtsbelasting-sfeer overdroegen aan hun klanten. Om pas daarna te starten met het slopen van de oude-, en het bouwen van een nieuwe woning, tegen 21% btw. Op die manier kon namelijk een fors deel van de btw die de consument anders had moeten betalen over de grond worden ontweken. Goed voor de portemonnee van de consument dus.

Helaas oordeelde het Europees Hof van Justitie, gevolgd door de Hoge Raad en het ministerie van Financiën, dat aan deze praktijk paal en perk moest worden gesteld. En juist hierom werd als regel geformuleerd dat de levering van de grond – al dan niet voorzien van restbebouwing – en de aanneemwerkzaamheden altijd als één prestatie moesten worden gezien, als ze door dezelfde partij werden uitgevoerd. Een met 21% btw belaste prestatie wel te verstaan.

Maar nét nu de ontwikkelende bouwers in Nederland, nota bene op verzoek van het kabinet Rutte, massaal aan het transformeren zijn geslagen, is de mening van enkele fiscaal inspecteurs in het land ineens 180 graden gedraaid. Als immers de ´vernieuwbouw´ van een kantoor naar een woning niet leidt tot een ‘nieuwe zaak’ in de zin van de btw, dan komt de zaak nooit terecht in de btw sfeer. En daarmee zou het eerder ingenomen standpunt om alles als één prestatie te zien, voor de fiscus betekenen dat over de aanneemsom helemaal geen btw in rekening gebracht mag worden. En met ongeveer 8 miljoen vierkante meter kantoorruimte in Nederland die schreeuwt om transformatie, scheelt dat mogelijk een lieve duit in de staatskas. Vandaar dat fiscaal inspecteurs nu steeds vaker roepen dat het ‘dan wél twee prestaties zijn’; namelijk de levering van een oud gebouw in de overdrachtsbelasting en de aanneemwerkzaamheden in de btw. Een gelegenheidsstandpunt pur sang.

In feite is hier sprake van een verkapte belastingverhoging, die ook nog eens ten koste gaat van de oplossing voor de kantorenproblematiek. Het zou fijn zijn als het kabinet zich op tijd realiseert dat transformatie zo nooit zal plaatsvinden, zolang er geen solide businesscase onder ligt. Als de lasten door dit soort fiscale fratsen immers te hoog worden om de exploitatie sluitend te krijgen, is het gevolg dat de fiscus er uiteindelijk niets meer aan verdient, economische bedrijvigheid uitblijft en we blijven zitten met verkrottende bedrijventerreinen en een oplopend tekort aan bouwlocaties.