Leestijd: 4 minuten

Écht ouwe meuk? Weg ermee

Column Nico Rietdijk voor Cobouw

Geschreven door Nico Rietdijk op 8 Juni 2016

“Bouw en vastgoed moet verlammende angst afschudden. Nu durven ontwikkelaars niet te falen, uit angst voor verliezen. Maar deze partijen mogen ook best eens meer experimenteren.” Dat is de mening van rijksbouwmeester Floris Alkemade. In een recent interview roept hij ontwikkelaars op niet langer in oude reflexen te schieten door telkens lege terreinen te bebouwen. Nieuwbouw is in zijn ogen namelijk een zeer een conservatief proces, terwijl leegstand zo’n geweldige experimenteerruimte biedt. Letterlijk zegt hij ook: “Er is nog een lange staart van moeilijke en lelijke gebouwen. Die vragen veel meer innovatie en verbeeldingskracht.”

Niet automatisch in de wei

Vooropgesteld, de intenties van de rijksbouwmeester zijn natuurlijk goed. Maar zijn oproep voelt tegelijk ook een beetje als mosterd na de maaltijd aan. Immers, sinds de crisis wordt er overal volop met transformatie van oude gebieden en gebouwen geëxperimenteerd. Er wordt echt al lang niet meer automatisch naar nieuwbouw in het weidegebied gegrepen. Kijk maar naar de vele mooie voorbeelden. Juist in het stedelijk gebied vinden momenteel tal van mooie ontwikkelingen plaats.

Veel lastiger wordt het verhaal van Alkemade te volgen als hij zegt:

“Er is nog een lange staat van moeilijke en lelijke gebouwen. Die vragen om veel meer innovatie en verbeeldingskracht.”

Rijksbouwmeester Floris Alkemade in een recent interview

Toen ik dit las, vroeg ik mij hardop af wat de rijksbouwmeester nou eigenlijk wil. Is dit het perse willen bewaren van oude panden? Of is dit het verbeteren van de kwaliteit van de gebouwde omgeving?

Bij het verhaal van de rijksbouwmeester krijgen we nu de indruk dat het eerste overheerst. En natuurlijk zijn er heel veel interessante en mooie oude gebouwen die het verdienen gekoesterd te worden. Maar er is ook veel oude meuk, die ooit eens in het grijze verleden zonder enige passie of creativiteit is gebouwd in een tijd dat er een enorme (woning)nood was. Moeten we die voor de eeuwigheid willen bewaren? Leuk misschien voor architecten. Maar of die ons hoofddoel moeten zijn?

De discussie moet onzes inziens veel meer gaan over zaken als klant- en burgerwaarde. Dus over de kernvragen: “worden we er als burgers en bewoners blij van en voldoet het aan de functionele waardes waaraan een gebied of gebouw moet voldoen?”


Geslaagde combinatie

Zelf woon ik al jarenlang in Alphen aan den Rijn. Dat is meer bij toeval zo gegroeid dan door de aanwezigheid van een inspirerende omgeving. Daar komt nu gelukkig verandering in; de gemeente is namelijk enthousiast bezig met een grondige herziening van de zogeheten ‘lage zijde’ van de Oude Rijn.

Samen met marktpartijen en de stadsarchitect kijkt deze gemeente naar welke oude gebouwen ze wil behouden. Bijvoorbeeld omdat ze op een goede plek staan, of omdat ze simpelweg mooi, inspirerend of functioneel zij. Alles wat niet aan deze criteria voldoet, gaat tegen de vlakte of is al gesloopt.

Zo af en toe volg ik de bouwactiviteiten en hoor ik voorbijgangers, zowel toekomstige bewoners als buren, tegen elkaar zeggen: “Het wordt nu echt gezellig in Alphen”. Kortom, een geslaagde combinatie van transformatie én nieuwbouw.

Misschien moeten we ook niet alles in hokjes willen plaatsen. Het heeft daarom weinig zin om, zoals de rijksbouwmeester impliciet doet, elke nieuwbouw in de wei al gauw het predicaat ‘foei’, ‘lelijk’ of ‘moeten we niet willen’ mee te geven. Want ook als het gaat om nieuwbouw in de wei zijn er intussen vele geslaagde voorbeelden: mooie smaakvolle, vaak kleinschalige, nieuwbouwbuurten. Een enorm verschil met de eerste Vinex-wijken.

Lange rijen platte schoenendozen

Overigens kan ik mij nog goed herinneren hoe die grote Vinex-wijken begin jaren negentig in de steigers werden gezet en hoe wij als NVB al vanaf het begin stevig waarschuwden tegen zoveel grootschaligheid zonder de woonconsument echt serieus te nemen.

Maar wat velen zich inmiddels niet meer (willen) herinneren is, dat het in die tijd hoofdzakelijk de stedenbouwkundigen en de architecten waren die droomden van “lange rijen” woningen als platte schoenendozen, vaak voorzien van gevelplaten van kunststof. Er moest immers, ook in die tijd al geëxperimenteerd worden. En in hun kielzog namen zij de (grote) gemeenten mee. Ook de ontwikkelaars sloten uiteindelijk aan. Deze laatsten om verzekerd te blijven van brood op de plank. Echt klantvriendelijk zijn dat soort VINEX projecten vanaf het begin nooit geweest.

Er is nog ruimte genoeg

De grote verworvenheid van deze tijd is dat we nu gelukkig wel meer dan ooit op klantwaarde sturen en tegelijk open staan voor kansrijke experimenten. Misschien hoort daar ook wel bij dat we wat vaker open durven staan voor bouwen in een lage dichtheid aan de rafelrandjes rondom onze steden en dorpen.

Maar hier horen we Alkemade niet over. De ruimte is er voor; slechts 12% van ons land is bebouwd. Dus  bedekt met woningen, andere gebouwen en wegen. De overgrote rest is natuur- en landbouwgebied en binnenwater. Volgens planning moeten er de komende decennia nog 1 miljoen woningen bijkomen. Qua ruimtebeslag is dat ongeveer nog 0,5% extra ruimtebeslag.

Natuurlijk is het prima om een flink deel van die benodigde productie via transformatie in hoge dichtheden binnenstedelijk te realiseren, maar maak er alsjeblieft geen dogma noch obsessie van. Dat gebeurt helaas wel als we zoals Alkemade doet om ‘transformatie van lelijke en moeilijke gebouwen’ als norm te gaan verheffen. Alsjeblieft niet zeg, écht ouwe meuk weg ermee.