Omgevingsverordening en –visie Overijssel werken woningtekort in de hand

Leestijd: 0 minuten

Geschreven door Coen van Rooyen op 27-03-2017

Afgelopen maand gaf ik ten overstaan van de Provinciale Staten van Overijssel een mondelinge toelichting op de zienswijze van NVB tegen de omgevingsverordening en –visie.

De hoorzitting is in zijn geheel opgenomen. Voor de liefhebber is hieronder alles terug te zien. (Let wel: het is een lange zit; mijn verhaal begint pas na 3:01:54 uur. Vandaar ook de - vrij slechte - grap over ‘wachtgeld’).

Provinciale interventie-instrumenten

Kort gezegd zijn we verbijsterd over met name de woningmarktparagraaf in deze visie en verordening. Mogelijk moet de Overijsselse burger zelfs binnenkort zijn/haar sinaasappelkistje (of hooivork?) uit de schuur halen.

Want waar gaat het hier nu eigenlijk om?

De documenten die nu aan Provinciale Staten ter beoordeling voorliggen zijn een omgevingsvisie en een omgevingsverordening. Het verschil tussen deze documenten is dat een visie slechts beleid bevat waarmee de provincie zichzelf bindt, terwijl de provinciale verordening wél bindend is voor gemeenten. Dit soort ‘provinciale interventie-instrumenten’ bieden provincies dus een vrij bot middel om gemeentes voor een ‘slikken of stikken’ beslissing te stellen. Gezien het karakter van dit soort documenten zou je zeggen dat provincies terughoudend zijn met de toepassing ervan. Sterker nog; toen op 1 juli 2008 de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking trad, dachten veel kenners dan ook dat provincies niet erg uitvoerig gebruik zouden gaan maken van hun zogeheten ‘provinciale interventie-instrumenten’. Het motto van de Wro was zelfs ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. De praktijk is helaas anders.

Waarom moeten dan ‘de hooivorken uit de schuur’?

In de nu voorliggende visie en verordening wordt voorgeschreven dat gemeenten ten hoogste 80% van de behoefte aan nieuwe woningen in hun bestemmingsplannen zetten. Dat beleid rust op de gedachte dat onderprogrammeren ruimte aan de markt geeft om zelf initiatieven te ontplooien binnen die nog niet bestemde 20%. Het probleem is helaas dat dit niet werkt. Gisteren nog sprak ik een bouwondernemer die al 3 jaar vecht om een klein deelbestemmingsplan goedgekeurd te krijgen; en het einde was nog lang niet in zicht. Het erge was hier dat deze kleine wijziging noodzakelijk was om met de bouw van de rest van de - wél bestemde - woningwijk te starten.

Dus stel nou dat Overijssel gemeenten straks écht verbiedt om meer dan 80% van de behoefte te bestemmen; hoe zorgen we dan voor voldoende woningen om onze kinderen in te laten wonen? Als we nu al weten dat er behoefte is aan een extra 20%, dan zal de vraag komen. Dat staat op voorhand vast. Maar als we jaren verder zijn voordat een plan op papier staat, ter inzage gelegd is, zienswijzen behandeld zijn, bezwaar-, beroep- en hoger beroep procedures doorlopen zijn, dan is de kans groot dat de doelgroep andere wegen zoekt.

Bovendien, hoe zorgen we ervoor dat die bestemde 80% in zijn geheel gerealiseerd wordt? Een weigerende grondeigenaar, een archeologische vondst, een beschermde vleermuis: de dag dat de spade de grond ingaat, heeft een project al veel maak- of breekmomenten gehad.

Dus laten we verstandig zijn: laten we gas geven zonder gelijktijdig aan de handrem te trekken.